W ramach naszej strony stosujemy pliki cookies. Pliki te stosujemy w celu: zapewnienia użytkownikom większej funkcjonalności i użyteczności oraz w celach statystycznych.
W każdym czasie mają Państwo możliwość samodzielnej zmiany ustawień dotyczących plików cookies w swojej przeglądarce internetowej. Korzystanie z serwisu przy ustawieniach przeglądarki internetowej umożliwiających ich zapisanie w Państwa urządzeniu, jest równoznaczne ze zgodą na ich stosowanie. Dowiedz się więcej
Wybierz język obcy

Niderlandzki

strona główna +

1. Hoe … je?

is
ben
heet
naam


2. Waar kom je …?

vandaan
uit
vandaam


3. Piet staat daar op de hoek. Zie je …?

zij
zijn
hem
hij


4. Ik lees nu een heel … boek!

geïnteresseerd
interessants
interessante
interessant


5. – Wat … je volgend weekend doen? - Oh ik heb nog geen plannen. Ik weet het nog niet.

kan
mag
moet
zal


6. Dit is Kaat. Ken je …?

haar
hij
zij
zijn


7. … voel je je?

waar
hoe
wie
wat


8. Ik … graag met een pen.

schrijv
schrijve
schrijfe
schrijf


9. … nieuwe auto staat in de garage.

ons
onze
hen
zij


10. … is het? - Het is 11:15

hoe laat
wat tijd
wanneer
welke tijd


11. Waar ben je gisteren …?

gebent
gezijn
geweest
gewezen


12. … ik klein was, … ik graag veel buiten.

toen … heb gespeeld
toen … speelte
als … speelde
toen … speelde


13. Dit jaar gaan we … vakantie … Sri Lanka. Heb je ooit iets over dit land gehoord?

voor … naar
op … met
met … naar
in … naar


14. In mijn vrije tijd doe ik heel graag … sport.

aan
op
in
voor


15. Heb je de spaghetti al ….?

opeten
geopeten
opgeet
opgegeten


16. … de deur dicht!

maakt
doe
doen
doet


17. … weer is het vandaag?

wie
hoe
welk
wat voor


18. Ik kan niet op de les komen … .

omdat voel ik me ziek
omdat ziek ik me voel
omdat ik me ziek voel
omdat ik voel me ziek


19. Bij de stoplichten ga je niet links of rechts maar … .

linksaf
rechtsaf
linksdoor
rechtdoor


20. – Waarom ga je naar de bibliotheek? - Ik ga naar de bib …

om boeken te lezen
om te boeken lezen
om te lezen boeken
boeken om te lezen


21. De collega … ik boos ben, werkt niet meer bij ons.

waaraan
op wie
waarop
aan wie


22. – Hoe vaak kijk je naar tv? - Ik kijk … .

ernaar elke dag
er elke dag naar
naar elke dag
er elke dag


23. De boeken … in de kast staan, zijn van mijn moeder

die
dit
deze
dat


24. Het oude gebouw … door de bouwvakkers … .

gerenoveerd … wordt
worden … gerenoveerd
wordt … gerenoveerd
is … worden gerenoveerd


25. Mijn hoofd … pijn. Kun je me iets tegen de pijn geven?

doet
maakt
wordt
heeft


26. Ik ben bang … spinnen.

van
aan
in
voor


27. Mijn reis hangt … … de situatie op mijn werk.

af van
af op
van af
op af


28. Wat ga je … naartoe – naar Portugal of naar Italië?

graager
liever
liefst
grager


29. Ik vind pizza … dan spaghetti.

lekkererder
lekkere
lekkerer
lekkerder


30. Van alle Nederlandse films vind ik Karakter … .

het meest interessant
het interessantes
het meest interessantes
het interessantst


31. Hij is gelukkig … hij niet rijk is.

want
daarom
als
hoewel


32. Je moet het rijbewijs hebben … je als chauffeur gaat werken.

hoewel
nadat
totdat
voordat


33. Zij doet een cursus Nederlands … ze met mensen in Nederland kan praten.

zodat
daarom
als
nadat


34. Als ik jou … , … ik beter opletten

was, was
zou, was
zou, zou
was, zou


35. … ik dat … , zou ik hem niet hebben uitgenodigd

zou … geweten
als … geweten
had … geweten
heb … geweten


36. Ben je al … de hoogte … het nieuws?

in … van
op … met
aan … met
op … van


37. Jouw opmerking … nergens … !

slaagt … in
slaat … in
slaagt … op
slaat … op


38. … de hand … de cijfers kunnen we vaststellen dat het waar is.

op … van
in … met
van … aan
aan … van


39. We gingen uiteindelijk naar Italië omdat Piet al in Griekenland … … .

is geweest
was bezocht
was geweest
was


40. Hij heeft de verhuizing zelf geregeld, … heel veel tijd kostte.

dat
waar
die
wat